overheersen
werkwoordBetekenis
- de macht uitoefenen over een ander volk
Vervoeging van overheersen
overheersenhele werkwoord — overheersteverleden tijd enkelvoud — overheerstenverleden tijd meervoud — overheerstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | overheers | overheerste |
| jij | overheerst | overheerste |
| hij, zij, het | overheerst | overheerste |
| wij | overheersen | overheersten |
| jullie | overheersen | overheersten |
| zij | overheersen | overheersten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is overheerst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was overheerst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd overheerst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt overheerst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal overheerst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overheerst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou overheerst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overheerst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had overheerst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overheerst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overheerst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overheerst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overheerst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overheerst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overheerst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overheerst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overheerst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| overheers | gebiedende wijs |
| overheerse | aanvoegende wijs |
| overheersend | onvoltooid, deelwoord |
| overheerst | verleden tijd, deelwoord |
| overheerst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overheerst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overheerste | verleden tijd |
| te hebben overheerst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overheersen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overheersen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal overheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou overheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden overheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt overheerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen overheersen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen overheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult overheersen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult overheerst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van over bw en heersen ww
Woordfamilie van overheersen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overheers | gebiedende wijs | overheersen |
| overheerse | aanvoegende wijs | overheersen |
| overheerst | voltooid deelwoord | overheersen |
| overheerste | verleden tijd | overheersen |
| overheersten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overheersen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overheersen zijn vastgelegd.