Naar de inhoud

overhangen

boven iets hangen

overhangen is meer dan één woord

overhangen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. boven iets hangen
  2. uit het lood hangen

Vervoeging van overhangen

overhangenhele werkwoord — hing oververleden tijd enkelvoud — hingen oververleden tijd meervoud — overgehangenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hang over hing over
jij hangt over hing over
hij, zij, het hangt over hing over
wij hangen over hingen over
jullie hangen over hingen over
zij hangen over hingen over
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had overgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt overgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hang over gebiedende wijs
heb overgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt overgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hing over verleden tijd
over te hangen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
over te zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
over zal hangen bijzin, toekomende tijd
over zou hangen bijzin, voorwaardelijk
over zouden hangen bijzin, voorwaardelijk
over zoudt hangen bijzin, voorwaardelijk
over zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
over zullen hangen bijzin, toekomende tijd
over zult hangen bijzin, toekomende tijd
overgehangen verleden tijd, deelwoord
overgehangen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgehangen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overhang bijzin, tegenwoordige tijd
overhangend onvoltooid, deelwoord
overhangt bijzin, tegenwoordige tijd
overhing bijzin, verleden tijd
overhingen bijzin, verleden tijd
te hebben overgehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overhangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal overgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal overgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal overhangen bijzin, toekomende tijd
zou overgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou overhangen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) overhangen over zou(dt) hangen bijzin, voorwaardelijk
zouden overgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden overhangen bijzin, voorwaardelijk
zoudt overgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt overhangen bijzin, voorwaardelijk
zullen overgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overhangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen overhangen bijzin, toekomende tijd
zult overgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult overhangen bijzin, toekomende tijd
zult/zal overhangen over zult/zal hangen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord overhang

Herkomst

samenstelling van over en hangen

Woordfamilie van overhangen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hang over gebiedende wijs overhangen
hange over woordvorm overhangen
hangen over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon overhangen
hangt over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon overhangen
hing over verleden tijd overhangen
hingen over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon overhangen
overgehangen voltooid deelwoord overhangen
overhang subordinate-clause, tegenwoordige tijd overhangen
overhange with-subordinate-clause overhangen
overhangt subordinate-clause, tegenwoordige tijd overhangen
overhing subordinate-clause, verleden tijd overhangen
overhingen subordinate-clause, verleden tijd overhangen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overhangen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over overhangen

Wat betekent overhangen?
Overhangen is een werkwoord. Het woord betekent: boven iets hangen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je overhangen?
Je vervoegt overhangen als volgt: het voltooid deelwoord is overgehangen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord overhangen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. H 4
  6. A 1
  7. N 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

overhangen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. H 4
  6. A 1
  7. N 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

overhangen in het kort

overhangen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van overhangen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort overhangen bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

overhangen: boven iets hangen
Deel overhangen — standaardnederlands.nl