outfit
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de uitrusting, en dan vooral de kleding, die men draagt en bij zich heeft
zelfstandig naamwoord — masculine
- uitrusting, m.n. kleding die men draagt of bij zich heeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| outfitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| outfitjes | verkleinwoord, meervoud |
| outfits | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘uitrusting’ voor het eerst aangetroffen in 1896
Woordfamilie van outfit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| outfitje | verkleinwoord | outfit |
| outfitjes | verkleinwoord meervoud | outfit |
| outfits | meervoud | outfit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van outfit zijn vastgelegd.