osteopaat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- beoefenaar van de osteopathie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| osteopaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| osteopaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| osteopaten | meervoud |
Herkomst
met het voorvoegsel osteo- en met het achtervoegsel -paat
Woordfamilie van osteopaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| osteopaatje | verkleinwoord | osteopaat |
| osteopaatjes | verkleinwoord meervoud | osteopaat |
| osteopaten | meervoud | osteopaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van osteopaat zijn vastgelegd.