Naar de inhoud

opvliegen

vanaf de grond of een andere positie van rust aan een vlucht door de lucht beginnen

opvliegen

werkwoord ˈɔpfliɣə(n)

Betekenis

  1. vanaf de grond of een andere positie van rust aan een vlucht door de lucht beginnen
  2. overdrachtelijk: plotseling in actie komen
  3. tweede betekenisomschrijving.
  4. enz.

Hoe spreek je opvliegen uit?

/ˈɔpflixən/

Opvliegen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpflixən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
f fiets
l land
i riet
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opvliegen

opvliegenhele werkwoord — vloog opverleden tijd enkelvoud — vlogen opverleden tijd meervoud — opgevlogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vlieg op vloog op
jij vliegt op vloog op
hij, zij, het vliegt op vloog op
wij vliegen op vlogen op
jullie vliegen op vlogen op
zij vliegen op vlogen op
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had opgevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te vliegen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal vliegen bijzin, toekomende tijd
op zou vliegen bijzin, voorwaardelijk
op zouden vliegen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt vliegen bijzin, voorwaardelijk
op zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen vliegen bijzin, toekomende tijd
op zult vliegen bijzin, toekomende tijd
opgevlogen verleden tijd, deelwoord
opgevlogen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevlogen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opvlieg bijzin, tegenwoordige tijd
opvliegend onvoltooid, deelwoord
opvliegt bijzin, tegenwoordige tijd
opvlogen bijzin, verleden tijd
opvloog bijzin, verleden tijd
te hebben opgevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opvliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vlieg op gebiedende wijs
vloog op verleden tijd
zal opgevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opvliegen bijzin, toekomende tijd
zou opgevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opvliegen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opvliegen op zou(dt) vliegen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opvliegen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgevlogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opvliegen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opvliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opvliegen bijzin, toekomende tijd
zult opgevlogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opvliegen bijzin, toekomende tijd
zult/zal opvliegen op zult/zal vliegen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en vliegen

Woordfamilie van opvliegen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgevlogen voltooid deelwoord opvliegen
opvlieg subordinate-clause, tegenwoordige tijd opvliegen
opvliege with-subordinate-clause opvliegen
opvliegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opvliegen
opvlogen subordinate-clause, verleden tijd opvliegen
opvloog subordinate-clause, verleden tijd opvliegen
vlieg op gebiedende wijs opvliegen
vliege op woordvorm opvliegen
vliegen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opvliegen
vliegt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opvliegen
vlogen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opvliegen
vloog op verleden tijd opvliegen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opvliegen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over opvliegen

Hoe spreek je opvliegen uit?
De uitspraak van opvliegen is: /ˈɔpfliɣə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent opvliegen?
Opvliegen is een werkwoord. Het woord betekent: vanaf de grond of een andere positie van rust aan een vlucht door de lucht beginnen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opvliegen?
Je vervoegt opvliegen als volgt: het voltooid deelwoord is opgevlogen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opvliegen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. V 4
  4. L 3
  5. I 1
  6. E 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opvliegen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. V 4
  4. L 3
  5. I 2
  6. E 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opvliegen in het kort

opvliegen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opvliegen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opvliegen bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opvliegen: vanaf de grond of een andere positie van rust aan een vlucht door de lucht beginnen
Deel opvliegen — standaardnederlands.nl