opstaan
werkwoord ˈɔpstanBetekenis
- gaan staan
- wakker worden en uit bed gaan
- het bed verlaten
- (koken) op het vuur staan
Hoe spreek je opstaan uit?
/ˈɔpstan/
Opstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- op het vuur staan unergative
- uit de dood herrijzen ergative
Vervoeging van opstaan
opstaanhele werkwoord — stond opverleden tijd enkelvoud — stonden opverleden tijd meervoud — opgestaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sta op | stond op |
| jij | staat op | stond op |
| hij, zij, het | staat op | stond op |
| wij | staan op | stonden op |
| jullie | staan op | stonden op |
| zij | staan op | stonden op |
Alle 117 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben opgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgestaan | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was opgestaan | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd opgestaan | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt opgestaan | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal opgestaan worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal opgestaan zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou opgestaan worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou opgestaan zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| is opgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te staan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal staan | bijzin, toekomende tijd |
| op zou staan | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden staan | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt staan | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen staan | bijzin, toekomende tijd |
| op zult staan | bijzin, toekomende tijd |
| opgestaan | verleden tijd, deelwoord |
| opgestaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgestaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgestaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestaan te zullen zijn, hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgestaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgestaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgestaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgestaan zullen zijn, hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opsta | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opstaand | onvoltooid, deelwoord |
| opstaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opstond | bijzin, verleden tijd |
| opstonden | bijzin, verleden tijd |
| sta op | gebiedende wijs |
| stond op | verleden tijd |
| te zijn, hebben opgestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgestaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn, hebben opgestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijt opgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opstaan op zou(dt) staan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgestaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgestaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgestaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgestaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opstaan op zult/zal staan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op bw en staan ww
Woordfamilie van opstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgestaan | voltooid deelwoord | opstaan |
| opsta | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opstaan |
| opstaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opstaan |
| opstond | subordinate-clause, verleden tijd | opstaan |
| opstonden | subordinate-clause, verleden tijd | opstaan |
| sta op | gebiedende wijs | opstaan |
| staan op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opstaan |
| staat op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opstaan |
| stond op | verleden tijd | opstaan |
| stonden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opstaan zijn vastgelegd.