opschrikken
werkwoordBetekenis
- van schrik opspringen
- met een schrik opjagen
Vervoeging van opschrikken
opschrikkenhele werkwoord — opgeschriktvoltooid deelwoord
Alle 4 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| opgeschrikt | verleden tijd, deelwoord |
| opgeschrokken | verleden tijd, deelwoord |
| schrikte op | verleden tijd |
| schrok op | verleden tijd |
Herkomst
samenstelling van op en schrikken
Woordfamilie van opschrikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgeschrikt | voltooid deelwoord | opschrikken |
| opgeschrokken | voltooid deelwoord | opschrikken |
| opschrik | with-subordinate-clause | opschrikken |
| opschrikke | with-subordinate-clause | opschrikken |
| opschrikkend | woordvorm | opschrikken |
| opschrikkende | woordvorm | opschrikken |
| opschrikt | with-subordinate-clause | opschrikken |
| opschrikte | with-subordinate-clause | opschrikken |
| opschrikten | with-subordinate-clause | opschrikken |
| schrik op | woordvorm | opschrikken |
| schrikke op | woordvorm | opschrikken |
| schrikken op | woordvorm | opschrikken |
| schrikt op | woordvorm | opschrikken |
| schrikte op | verleden tijd | opschrikken |
| schrikten op | woordvorm | opschrikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschrikken zijn vastgelegd.