oppassen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- opletten dat er niet iets ergs gebeurt
- bij de kinderen blijven en op ze letten
Vervoeging van oppassen
oppassenhele werkwoord — paste opverleden tijd enkelvoud — pasten opverleden tijd meervoud — opgepastvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pas op | paste op |
| jij | past op | paste op |
| hij, zij, het | past op | paste op |
| wij | passen op | pasten op |
| jullie | passen op | pasten op |
| zij | passen op | pasten op |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgepast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgepast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgepast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgepast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgepast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgepast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te passen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen passen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal passen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou passen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden passen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt passen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen passen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen passen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult passen | bijzin, toekomende tijd |
| opgepast | verleden tijd, deelwoord |
| opgepast te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgepast zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| oppas | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oppassend | onvoltooid, deelwoord |
| oppast | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oppaste | bijzin, verleden tijd |
| oppasten | bijzin, verleden tijd |
| pas op | gebiedende wijs |
| paste op | verleden tijd |
| te hebben opgepast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oppassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oppassen | bijzin, toekomende tijd |
| zou opgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oppassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) oppassen op zou(dt) passen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oppassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oppassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oppassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oppassen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgepast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult oppassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult oppassen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal oppassen op zult/zal passen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord oppas
Herkomst
In de betekenis van ‘opletten’ voor het eerst aangetroffen in 1660
Woordfamilie van oppassen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgepast | voltooid deelwoord | oppassen |
| oppasse | with-subordinate-clause | oppassen |
| oppast | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oppassen |
| oppaste | subordinate-clause, verleden tijd | oppassen |
| oppasten | subordinate-clause, verleden tijd | oppassen |
| pas op | gebiedende wijs | oppassen |
| passe op | woordvorm | oppassen |
| passen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | oppassen |
| past op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | oppassen |
| paste op | verleden tijd | oppassen |
| pasten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | oppassen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oppassen zijn vastgelegd.