Naar de inhoud

oppassen

opletten dat er niet iets ergs gebeurt

oppassen is meer dan één woord

oppassen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. opletten dat er niet iets ergs gebeurt
  2. bij de kinderen blijven en op ze letten

Vervoeging van oppassen

oppassenhele werkwoord — paste opverleden tijd enkelvoud — pasten opverleden tijd meervoud — opgepastvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pas op paste op
jij past op paste op
hij, zij, het past op paste op
wij passen op pasten op
jullie passen op pasten op
zij passen op pasten op
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had opgepast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgepast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgepast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgepast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgepast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgepast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgepast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgepast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgepast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgepast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgepast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgepast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgepast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgepast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgepast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te passen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen passen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal passen bijzin, toekomende tijd
op zou passen bijzin, voorwaardelijk
op zouden passen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt passen bijzin, voorwaardelijk
op zullen passen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen passen bijzin, toekomende tijd
op zult passen bijzin, toekomende tijd
opgepast verleden tijd, deelwoord
opgepast te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepast zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
oppas bijzin, tegenwoordige tijd
oppassend onvoltooid, deelwoord
oppast bijzin, tegenwoordige tijd
oppaste bijzin, verleden tijd
oppasten bijzin, verleden tijd
pas op gebiedende wijs
paste op verleden tijd
te hebben opgepast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oppassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal opgepast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgepast hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oppassen bijzin, toekomende tijd
zou opgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oppassen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oppassen op zou(dt) passen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oppassen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgepast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oppassen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgepast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgepast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgepast hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oppassen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oppassen bijzin, toekomende tijd
zult opgepast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult oppassen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult oppassen bijzin, toekomende tijd
zult/zal oppassen op zult/zal passen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord oppas

Herkomst

In de betekenis van ‘opletten’ voor het eerst aangetroffen in 1660

Woordfamilie van oppassen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgepast voltooid deelwoord oppassen
oppasse with-subordinate-clause oppassen
oppast subordinate-clause, tegenwoordige tijd oppassen
oppaste subordinate-clause, verleden tijd oppassen
oppasten subordinate-clause, verleden tijd oppassen
pas op gebiedende wijs oppassen
passe op woordvorm oppassen
passen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oppassen
past op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon oppassen
paste op verleden tijd oppassen
pasten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oppassen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oppassen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over oppassen

Wat is de betekenis van oppassen?
Oppassen is een werkwoord. De betekenis is: opletten dat er niet iets ergs gebeurt. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik oppassen?
Zo vervoeg je oppassen zo: het voltooid deelwoord is opgepast. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oppassen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. P 3
  4. A 1
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oppassen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. P 4
  4. A 1
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

oppassen in het kort

oppassen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van oppassen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort oppassen bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

oppassen: opletten dat er niet iets ergs gebeurt
Deel oppassen — standaardnederlands.nl