opgroeien
werkwoord ˈɔpxrujə(n)Betekenis
- de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
Hoe spreek je opgroeien uit?
/ˈɔpxrujən/
Opgroeien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| x | acht |
| r | rood |
| u | boek |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- de tijd tot de volwassenheid doorbrengen; de tijd dat iemand zich ontwikkelt tot een volwassene ergative
Vervoeging van opgroeien
opgroeienhele werkwoord — groeide opverleden tijd enkelvoud — groeiden opverleden tijd meervoud — opgegroeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | groei op | groeide op |
| jij | groeit op | groeide op |
| hij, zij, het | groeit op | groeide op |
| wij | groeien op | groeiden op |
| jullie | groeien op | groeiden op |
| zij | groeien op | groeiden op |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| groei op | gebiedende wijs |
| groeide op | verleden tijd |
| is opgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te groeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen groeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal groeien | bijzin, toekomende tijd |
| op zou groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen groeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen groeien | bijzin, toekomende tijd |
| op zult groeien | bijzin, toekomende tijd |
| opgegroeid | verleden tijd, deelwoord |
| opgegroeid te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgegroeid zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgroei | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opgroeide | bijzin, verleden tijd |
| opgroeiden | bijzin, verleden tijd |
| opgroeiend | onvoltooid, deelwoord |
| opgroeit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te zijn opgegroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opgroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgegroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgegroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgegroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgegroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opgroeien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgegroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opgroeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opgroeien op zou(dt) groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opgroeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opgroeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opgroeien | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opgroeien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opgroeien op zult/zal groeien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op bw en groeien ww
Woordfamilie van opgroeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| groei op | gebiedende wijs | opgroeien |
| groeide op | verleden tijd | opgroeien |
| groeiden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opgroeien |
| groeie op | woordvorm | opgroeien |
| groeien op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opgroeien |
| groeit op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opgroeien |
| opgegroeid | voltooid deelwoord | opgroeien |
| opgegroeide | woordvorm | opgroeien |
| opgroei | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opgroeien |
| opgroeide | subordinate-clause, verleden tijd | opgroeien |
| opgroeiden | subordinate-clause, verleden tijd | opgroeien |
| opgroeie | with-subordinate-clause | opgroeien |
| opgroeit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opgroeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opgroeien zijn vastgelegd.