ontwapenen
werkwoordBetekenis
- van wapens ontdoen
- weerloos maken
Vervoeging van ontwapenen
ontwapenenhele werkwoord — ontwapendeverleden tijd enkelvoud — ontwapendenverleden tijd meervoud — ontwapendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontwapen | ontwapende |
| jij | ontwapent | ontwapende |
| hij, zij, het | ontwapent | ontwapende |
| wij | ontwapenen | ontwapenden |
| jullie | ontwapenen | ontwapenden |
| zij | ontwapenen | ontwapenden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is ontwapend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontwapend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontwapend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontwapend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontwapend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontwapend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontwapend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontwapend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontwapend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontwapend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontwapend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontwapend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontwapend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontwapend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontwapend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontwapend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontwapend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontwapend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontwapend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontwapend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontwapend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontwapend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontwapend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontwapen | gebiedende wijs |
| ontwapend | verleden tijd, deelwoord |
| ontwapend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontwapend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontwapende | verleden tijd |
| ontwapene | aanvoegende wijs |
| ontwapenend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontwapend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontwapenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontwapenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontwapend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontwapend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontwapend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontwapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontwapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontwapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontwapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontwapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontwapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontwapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontwapend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontwapend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontwapend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontwapenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontwapend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontwapenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Naamwoord van handeling van wapenen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontwapenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontwapen | gebiedende wijs | ontwapenen |
| ontwapend | voltooid deelwoord | ontwapenen |
| ontwapende | verleden tijd | ontwapenen |
| ontwapenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontwapenen |
| ontwapene | aanvoegende wijs | ontwapenen |
| ontwapent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontwapenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontwapenen zijn vastgelegd.