ontmoedigen
werkwoord ɔntˈmudəɣə(n)Betekenis
- de moed ontnemen
Hoe spreek je ontmoedigen uit?
/ɔntˈmudəxən/
Ontmoedigen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| m | maan |
| u | boek |
| d | dak |
| ə | de |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontmoedigen
ontmoedigenhele werkwoord — ontmoedigdeverleden tijd enkelvoud — ontmoedigdenverleden tijd meervoud — ontmoedigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontmoedig | ontmoedigde |
| jij | ontmoedigt | ontmoedigde |
| hij, zij, het | ontmoedigt | ontmoedigde |
| wij | ontmoedigen | ontmoedigden |
| jullie | ontmoedigen | ontmoedigden |
| zij | ontmoedigen | ontmoedigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontmoedigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontmoedigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontmoedigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontmoedigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontmoedigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontmoedigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontmoedigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontmoedigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontmoedigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontmoedig | gebiedende wijs |
| ontmoedigd | verleden tijd, deelwoord |
| ontmoedigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontmoedigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontmoedigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontmoedigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontmoedigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontmoedigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontmoedigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontmoedigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontmoedigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontmoedigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontmoedigde | verleden tijd |
| ontmoedige | aanvoegende wijs |
| ontmoedigend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontmoedigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontmoedigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontmoedigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontmoedigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontmoedigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontmoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontmoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontmoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontmoedigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontmoedigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontmoedigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontmoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontmoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontmoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontmoedigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontmoedigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontmoedigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontmoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontmoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontmoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontmoedigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontmoedigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontmoedigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontmoedigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontmoedigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontmoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontmoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontmoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontmoedigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontmoedigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontmoedigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontmoedigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontmoedigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontmoedigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontmoedigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontmoedigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van moedig met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en.
Woordfamilie van ontmoedigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontmoedig | gebiedende wijs | ontmoedigen |
| ontmoedigd | voltooid deelwoord | ontmoedigen |
| ontmoedigde | verleden tijd | ontmoedigen |
| ontmoedigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontmoedigen |
| ontmoedige | aanvoegende wijs | ontmoedigen |
| ontmoedigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontmoedigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontmoedigen zijn vastgelegd.