ontbreken
werkwoordBetekenis
- niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
werkwoord
- niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht worden absolute
Vervoeging van ontbreken
ontbrekenhele werkwoord — ontbrakverleden tijd enkelvoud — ontbrakenverleden tijd meervoud — ontbrokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontbreek | ontbrak |
| jij | ontbreekt | ontbraakt |
| hij, zij, het | ontbreekt | ontbrak |
| wij | ontbreken | ontbraken |
| jullie | ontbreken | ontbraken |
| zij | ontbreken | ontbraken |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontbroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontbroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontbroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontbroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontbroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontbroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontbroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontbroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontbrak | verleden tijd |
| ontbreek | gebiedende wijs |
| ontbreke | aanvoegende wijs |
| ontbrekend | onvoltooid, deelwoord |
| ontbroken | verleden tijd, deelwoord |
| ontbroken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontbroken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben ontbroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontbreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontbroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontbroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontbroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontbroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontbroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontbroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontbroken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘mankeren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van ontbreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontbrak | verleden tijd | ontbreken |
| ontbraken | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontbreken |
| ontbreek | gebiedende wijs | ontbreken |
| ontbreekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontbreken |
| ontbreke | aanvoegende wijs | ontbreken |
| ontbroken | voltooid deelwoord | ontbreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontbreken zijn vastgelegd.