omber
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- degene in het omberspel tegen wie de twee andere deelnemers spelen
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bruine kleurstof, bereid uit een donkerbruine vette aardsoort
- kaartspel dat door drie personen wordt gespeeld met veertig kaarten (waaruit de achten, negenen en tienen)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ombertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ombertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omberen
- gebiedende wijs van omberen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omberen
Vervoeging van omber
omberhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kleurstof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1642
Woordfamilie van omber
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ombertje | verkleinwoord | omber |
| ombertjes | verkleinwoord meervoud | omber |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omber zijn vastgelegd.