oehoe
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, werkwoord ˈuhuBetekenis
- uilensoort
- het geluid dat een oehoe maakt
Hoe spreek je oehoe uit?
/ˈuhu/
Oehoe bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| u | boek |
| h | hoed |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- Bubo bubo een van de grootste uilen ter wereld, en vermoedelijk de op een na grootste uilensoort na de Blakistons visuil. De wetenschappelijke naam van de soort werd als Strix bubo in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. De vogel heeft zijn naam te danken aan zijn roep. Vooral in de late winter laat het mannetje zijn imposante "oehoe"-roep horen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oehoes | meervoud |
| oehoetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| oehoetjes | verkleinwoord, meervoud |
tussenwerpsel
- geluid dat een oehoe, Bubo bubo, maakt
- gebruikt om iemands aandacht te trekken informal
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oehoeën
- gebiedende wijs van oehoeën
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oehoeën
Vervoeging van oehoe
oehoehele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘uilachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1809
Woordfamilie van oehoe
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oehoetje | verkleinwoord | oehoe |
| oehoetjes | verkleinwoord meervoud | oehoe |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oehoe zijn vastgelegd.