nonkel
zelfstandig naamwoord /ˈnɔŋkəɫ/Betekenis
- broer of zwager van iemands vader of moeder
Hoe spreek je nonkel uit?
/ˈnɔŋkəl/
Nonkel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| nonkels | meervoud |
| nonkeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| nonkeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Frans oncle met metanalyse: de eind-n van den onkel, mijn onkel of mon oncle werd mettertijd beschouwd als een onderdeel van het tweede woord, in de betekenis van ‘oom’ voor het eerst aangetroffen in 1851
Woordfamilie van nonkel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nonkels | meervoud | nonkel |
| nonkeltje | verkleinwoord | nonkel |
| nonkeltjes | verkleinwoord meervoud | nonkel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nonkel zijn vastgelegd.