nivelleren
werkwoordBetekenis
- gelijk maken, op gelijk niveau brengen
Vervoeging van nivelleren
nivellerenhele werkwoord — nivelleerdeverleden tijd enkelvoud — nivelleerdenverleden tijd meervoud — genivelleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | nivelleer | nivelleerde |
| jij | nivelleert | nivelleerde |
| hij, zij, het | nivelleert | nivelleerde |
| wij | nivelleren | nivelleerden |
| jullie | nivelleren | nivelleerden |
| zij | nivelleren | nivelleerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is genivelleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was genivelleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd genivelleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt genivelleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal genivelleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal genivelleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou genivelleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou genivelleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| genivelleerd | verleden tijd, deelwoord |
| genivelleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genivelleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genivelleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genivelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genivelleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genivelleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genivelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genivelleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genivelleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genivelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genivelleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genivelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genivelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genivelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genivelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genivelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genivelleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nivelleer | gebiedende wijs |
| nivelleerde | verleden tijd |
| nivellere | aanvoegende wijs |
| nivellerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genivelleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te nivelleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nivelleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal genivelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genivelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genivelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou genivelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genivelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genivelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genivelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genivelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genivelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genivelleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genivelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genivelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genivelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nivelleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genivelleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult nivelleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘op één peil brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1864
Woordfamilie van nivelleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genivelleerd | voltooid deelwoord | nivelleren |
| genivelleerde | woordvorm | nivelleren |
| nivelleer | gebiedende wijs | nivelleren |
| nivelleerde | verleden tijd | nivelleren |
| nivelleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nivelleren |
| nivelleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nivelleren |
| nivellere | aanvoegende wijs | nivelleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nivelleren zijn vastgelegd.