mortier
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
- een klein soort kanon waarmee granaten worden afgeschoten
- een kort kanon met een fors kaliber
- mortier, vijzel
- mortier, een soort kanon met korte loop
- mortel, metselspecie
- een uniformmuts van bepaalde ambtenaren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mortieren | meervoud |
| mortiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mortiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vuurmond met zeer korte loop’ voor het eerst aangetroffen in 1488
Woordfamilie van mortier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mortieren | meervoud | mortier |
| mortiertje | verkleinwoord | mortier |
| mortiertjes | verkleinwoord meervoud | mortier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mortier zijn vastgelegd.