monnik
zelfstandig naamwoord ˈmɔnəkBetekenis
- man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
- middeleeuwse dakpan in de vorm van een halve afgeknotte holle kegel, als bovenpan met de holle kant op twee op hun holle kant liggende onderpannen (non) rustend
Hoe spreek je monnik uit?
/ˈmɔnək/
Monnik bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ə | de |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- middeleeuwse dakpan in de vorm van een halve afgeknotte holle kegel, als bovenpan met de holle kant op twee op hun holle kant liggende onderpannen (nonnen) rustend
- een nachtvlinder van het geslacht Cucullia uit de Noctuidae
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| monniken | meervoud |
| monnikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| monnikjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kloosterling’ voor het eerst aangetroffen in 890
Woordfamilie van monnik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| monniken | meervoud | monnik |
| monnikje | verkleinwoord | monnik |
| monnikjes | verkleinwoord meervoud | monnik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van monnik zijn vastgelegd.