mondvoorraad
zelfstandig naamwoordBetekenis
- proviand, eten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mondvoorraadje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mondvoorraadjes | verkleinwoord, meervoud |
| mondvoorraden | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘proviand’ voor het eerst aangetroffen in 1872
Woordfamilie van mondvoorraad
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mondvoorraadje | verkleinwoord | mondvoorraad |
| mondvoorraadjes | verkleinwoord meervoud | mondvoorraad |
| mondvoorraden | meervoud | mondvoorraad |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mondvoorraad zijn vastgelegd.