mijmeren
werkwoordBetekenis
- in gedachten verzonken zijn
Vervoeging van mijmeren
mijmerenhele werkwoord — mijmerdeverleden tijd enkelvoud — mijmerdenverleden tijd meervoud — gemijmerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mijmer | mijmerde |
| jij | mijmert | mijmerde |
| hij, zij, het | mijmert | mijmerde |
| wij | mijmeren | mijmerden |
| jullie | mijmeren | mijmerden |
| zij | mijmeren | mijmerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gemijmerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemijmerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemijmerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemijmerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemijmerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemijmerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemijmerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemijmerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemijmerd | verleden tijd, deelwoord |
| gemijmerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemijmerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemijmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemijmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemijmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemijmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemijmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemijmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemijmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemijmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemijmerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemijmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemijmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemijmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemijmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemijmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemijmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mijmer | gebiedende wijs |
| mijmerde | verleden tijd |
| mijmere | aanvoegende wijs |
| mijmerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemijmerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mijmeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mijmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemijmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemijmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemijmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemijmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemijmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemijmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemijmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemijmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemijmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemijmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemijmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemijmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemijmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mijmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemijmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mijmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘peinzen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1481
Woordfamilie van mijmeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemijmerd | voltooid deelwoord | mijmeren |
| mijmer | gebiedende wijs | mijmeren |
| mijmerde | verleden tijd | mijmeren |
| mijmerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mijmeren |
| mijmere | aanvoegende wijs | mijmeren |
| mijmert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mijmeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mijmeren zijn vastgelegd.