menora
zelfstandig naamwoord /məno'ra/Betekenis
- kandelaar met zeven armen (een van de symbolen van Israël; Ex. 25:31-40)
- chanoekakandelaar (zie: Chanoeka) met acht armen plus een extra arm voor het licht waarmee de andere worden aangestoken (sjamasj)
Hoe spreek je menora uit?
/mənoˈra/
Menora bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| o | boot |
| r | rood |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- kandelaar voor de viering van Chanoeka, met acht armen plus een extra arm, sjamasj, voor het licht waarmee de andere worden aangestoken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (menorot) | meervoud |
| menora's | meervoud |
| menoraatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| menoraatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Hebreeuws מְנוֹרָה zn (menorah), in de betekenis van ‘liturgische kandelaar’ voor het eerst aangetroffen in 1929
Woordfamilie van menora
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| menora's | meervoud | menora |
| menoraatje | verkleinwoord | menora |
| menoraatjes | verkleinwoord meervoud | menora |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van menora zijn vastgelegd.