Naar de inhoud

meelijden

het lijden met of van anderen delen

meelijden

werkwoord 'melɛɪdə(n)

Betekenis

  1. het lijden met of van anderen delen

Hoe spreek je meelijden uit?

/ˈmelɛidən/

Meelijden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈmelɛidən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
m maan
e veel
l land
ɛi trein
d dak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van meelijden

meelijdenhele werkwoord — leed meeverleden tijd enkelvoud — leden meeverleden tijd meervoud — meegeledenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lijd mee leed mee
jij lijdt mee leed mee
hij, zij, het lijdt mee leed mee
wij lijden mee leden mee
jullie lijden mee leden mee
zij lijden mee leden mee
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had meegeleden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had meegeleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had meegeleden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden meegeleden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden meegeleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden meegeleden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt meegeleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb meegeleden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegeleden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben meegeleden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegeleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben meegeleden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt meegeleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegeleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegeleden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leed mee verleden tijd
lijd mee gebiedende wijs
mee te lijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen lijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal lijden bijzin, toekomende tijd
mee zou lijden bijzin, voorwaardelijk
mee zouden lijden bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt lijden bijzin, voorwaardelijk
mee zullen lijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen lijden bijzin, toekomende tijd
mee zult lijden bijzin, toekomende tijd
meegeleden verleden tijd, deelwoord
meegeleden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegeleden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meeleden bijzin, verleden tijd
meeleed bijzin, verleden tijd
meelijd bijzin, tegenwoordige tijd
meelijdend onvoltooid, deelwoord
meelijdt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben meegeleden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meelijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal meegeleden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegeleden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegeleden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meelijden bijzin, toekomende tijd
zou meegeleden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegeleden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegeleden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meelijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meelijden mee zou(dt) lijden bijzin, voorwaardelijk
zouden meegeleden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegeleden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegeleden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meelijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegeleden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meelijden bijzin, voorwaardelijk
zullen meegeleden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegeleden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegeleden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meelijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meelijden bijzin, toekomende tijd
zult meegeleden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meelijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meelijden bijzin, toekomende tijd
zult/zal meelijden mee zult/zal lijden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee en lijden

Woordfamilie van meelijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
leden mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meelijden
leed mee verleden tijd meelijden
lijd mee gebiedende wijs meelijden
lijde mee woordvorm meelijden
lijden mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meelijden
lijdt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meelijden
meegeleden voltooid deelwoord meelijden
meeleden subordinate-clause, verleden tijd meelijden
meeleed subordinate-clause, verleden tijd meelijden
meelijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd meelijden
meelijde with-subordinate-clause meelijden
meelijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meelijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meelijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over meelijden

Hoe spreek je meelijden uit?
De uitspraak van meelijden is: /'melɛɪdə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent meelijden?
Meelijden is een werkwoord. Het woord betekent: het lijden met of van anderen delen.
Hoe vervoeg je meelijden?
Je vervoegt meelijden als volgt: het voltooid deelwoord is meegeleden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meelijden is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. L 3
  5. I 1
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meelijden levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. L 3
  5. I 2
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meelijden in het kort

meelijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van meelijden zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort meelijden bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

meelijden: het lijden met of van anderen delen
Deel meelijden — standaardnederlands.nl