mastiek
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- kostbare harssoort afkomstig van de mastiekboom, o.a. gebruikt voor schilderijvernis
- kit
- een bindmiddel in asfaltmengsels, bestaande uit zand, koolteerpek en vulstof dat o.m. werd gebruikt als bedekking voor platte daken
- stopverf
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mastiekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mastiekjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mastieken
- gebiedende wijs van mastieken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mastieken
Vervoeging van mastiek
mastiekhele werkwoord
Woordfamilie van mastiek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mastiekje | verkleinwoord | mastiek |
| mastiekjes | verkleinwoord meervoud | mastiek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mastiek zijn vastgelegd.