mark
zelfstandig naamwoord /mɑrk/Betekenis
- naam voor verschillende munteenheden gebruikt in Bosnië en Herzegovina en tot de invoering van de euro in Duitsland en Finland
- een leen dat grensde aan het gebied van een ander rijk, meestal bestuurd door een markgraaf of markies
- een ongecultiveerd stuk land in gemeenschappelijk bezit
- merkteken
- grond
- veld
- bodem, grond
- terrein, veld
- mark (munteenheid)
- een oude Germaanse gewichtseenheid die wordt voornamelijk gebruikt voor metalen
Hoe spreek je mark uit?
/mɑrk/
Mark bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| marken | meervoud |
| markje | verkleinwoord, enkelvoud |
| markjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| marken | meervoud |
| markje | verkleinwoord, enkelvoud |
| markjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
zelfstandig naamwoord: Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘oude munt en munteenheid van Duitsland’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1210
zelfstandig naamwoord: In de betekenis van ‘grens’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 792
Woordfamilie van mark
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| marken | meervoud | mark |
| markje | verkleinwoord | mark |
| markjes | verkleinwoord meervoud | mark |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mark zijn vastgelegd.