maretak
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een halfparasitische plant die op bomen vooral vanaf Zuid-Limburg in zuidelijke richting voorkomt
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaalde halfparasitische plantensoort die op bomen vooral vanaf Zuid-Limburg in zuidelijke richting voorkomt, Viscum album
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| maretakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| maretakjes | verkleinwoord, meervoud |
| maretakken | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘altijd groene struik’ voor het eerst aangetroffen in 1554
Woordfamilie van maretak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maretakje | verkleinwoord | maretak |
| maretakjes | verkleinwoord meervoud | maretak |
| maretakken | meervoud | maretak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van maretak zijn vastgelegd.