marburgvirus
zelfstandig naamwoord ˈmɑrbʏrᵊxˌfirʏsBetekenis
- veroorzaker van een ernstige en vaak dodelijke ziekte, die gepaard gaat met hevige bloedingen.
Hoe spreek je marburgvirus uit?
/ˈmɑrbʏrəxˌfirʏs/
Marburgvirus bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| b | bak |
| ʏ | put |
| ə | de |
| x | acht |
| f | fiets |
| i | riet |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- soorten uit het geslacht Marburgvirus, veroorzaker van een ernstige en vaak dodelijke ziekte, die gepaard gaat met hevige bloedingen.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| marburgvirusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| marburgvirusjes | verkleinwoord, meervoud |
| marburgvirussen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van Marburg en "Duitse plaats waar de eerste beschreven gevallen zich voordeden" en virus zn
Woordfamilie van marburgvirus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| marburgvirusje | verkleinwoord | marburgvirus |
| marburgvirusjes | verkleinwoord meervoud | marburgvirus |
| marburgvirussen | meervoud | marburgvirus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van marburgvirus zijn vastgelegd.