lobby
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- wachtruimte in een hotel, theater enz, hotellobby, theaterlobby
- belangengroep die, meestal achter de schermen en dus buiten de parlementaire controle om, pressie uitoefent op bijv. het overheidsbeleid
- Nederlands 1, Nederlands
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lobby's | meervoud |
| lobby'tje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lobby'tjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lobbyen
- gebiedende wijs van lobbyen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lobbyen
Vervoeging van lobby
lobbyhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘pressiegroep’ voor het eerst aangetroffen in 1954
Woordfamilie van lobby
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lobby's | meervoud | lobby |
| lobby'tje | verkleinwoord | lobby |
| lobby'tjes | verkleinwoord meervoud | lobby |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lobby zijn vastgelegd.