limbus
zelfstandig naamwoord ˈlɪmbʏsBetekenis
- zoom, strook aan de rand van een kledingstuk
- rand van een weefsel
- (rooms-katholiek) plaats voor de zielen van mensen die niet als zondaars kunnen worden beschouwd en dus niet naar de hel gaan, maar die niet gedoopt zijn en dus ook niet tot de hemel worden toegelaten
- in graden verdeelde rand van een instrument om hoeken te meten
- rand
- zoom, franje
- (rooms-katholiek) voorgeborchte, limbo
- voorgeborchte
- een onderdeel van een theodoliet
Hoe spreek je limbus uit?
/ˈlɪmbʏs/
Limbus bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| b | bak |
| ʏ | put |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- plaats voor de zielen van mensen die niet als zondaars kunnen worden beschouwd en dus niet naar de hel gaan, maar die niet gedoopt zijn en dus ook niet tot de hemel worden toegelaten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| limbi | meervoud |
| limbussen | meervoud |
Herkomst
van Latijn limbus
Woordfamilie van limbus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| limbi | meervoud | limbus |
| limbussen | meervoud | limbus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van limbus zijn vastgelegd.