leidinggeven
werkwoordBetekenis
- leiding geven
Vervoeging van leidinggeven
leidinggevenhele werkwoord — gaf leidingverleden tijd enkelvoud — gaven leidingverleden tijd meervoud — leidinggegevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geef leiding | gaf leiding |
| jij | geeft leiding | gaaft leiding |
| hij, zij, het | geeft leiding | gaf leiding |
| wij | geven leiding | gaven leiding |
| jullie | geven leiding | gaven leiding |
| zij | geven leiding | gaven leiding |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gaf leiding | verleden tijd |
| geef leiding | gebiedende wijs |
| had leidinggegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had leidinggegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had leidinggegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden leidinggegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden leidinggegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden leidinggegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt leidinggegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb leidinggegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben leidinggegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben leidinggegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben leidinggegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben leidinggegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt leidinggegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft leidinggegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft leidinggegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leiding te geven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| leiding te zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| leiding zal geven | bijzin, toekomende tijd |
| leiding zou geven | bijzin, voorwaardelijk |
| leiding zouden geven | bijzin, voorwaardelijk |
| leiding zoudt geven | bijzin, voorwaardelijk |
| leiding zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| leiding zullen geven | bijzin, toekomende tijd |
| leiding zult geven | bijzin, toekomende tijd |
| leidinggaaft | bijzin, verleden tijd |
| leidinggaf | bijzin, verleden tijd |
| leidinggaven | bijzin, verleden tijd |
| leidinggeef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| leidinggeeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| leidinggegeven | verleden tijd, deelwoord |
| leidinggegeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| leidinggegeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| leidinggevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben leidinggegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen leidinggeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal leidinggegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal leidinggegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal leidinggegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal leidinggeven | bijzin, toekomende tijd |
| zou leidinggegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou leidinggegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou leidinggegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou leidinggeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) leidinggeven leiding zou(dt) geven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden leidinggegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden leidinggegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden leidinggegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden leidinggeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt leidinggegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt leidinggeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen leidinggegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen leidinggegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen leidinggegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen leidinggeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen leidinggeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult leidinggegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult leidinggeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult leidinggeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal leidinggeven leiding zult/zal geven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van leiding en geven
Woordfamilie van leidinggeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaf leiding | verleden tijd | leidinggeven |
| gaven leiding | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | leidinggeven |
| geef leiding | gebiedende wijs | leidinggeven |
| geeft leiding | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | leidinggeven |
| geve leiding | woordvorm | leidinggeven |
| geven leiding | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | leidinggeven |
| leidinggaf | subordinate-clause, verleden tijd | leidinggeven |
| leidinggaven | subordinate-clause, verleden tijd | leidinggeven |
| leidinggeef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | leidinggeven |
| leidinggeeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | leidinggeven |
| leidinggegeven | voltooid deelwoord | leidinggeven |
| leidinggeve | with-subordinate-clause | leidinggeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leidinggeven zijn vastgelegd.