Naar de inhoud

leidinggeven

leiding geven

leidinggeven

werkwoord

Betekenis

  1. leiding geven

Vervoeging van leidinggeven

leidinggevenhele werkwoord — gaf leidingverleden tijd enkelvoud — gaven leidingverleden tijd meervoud — leidinggegevenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik geef leiding gaf leiding
jij geeft leiding gaaft leiding
hij, zij, het geeft leiding gaf leiding
wij geven leiding gaven leiding
jullie geven leiding gaven leiding
zij geven leiding gaven leiding
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gaf leiding verleden tijd
geef leiding gebiedende wijs
had leidinggegeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had leidinggegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had leidinggegeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden leidinggegeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden leidinggegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden leidinggegeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt leidinggegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb leidinggegeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben leidinggegeven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben leidinggegeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben leidinggegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben leidinggegeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt leidinggegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft leidinggegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft leidinggegeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leiding te geven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
leiding te zullen geven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
leiding zal geven bijzin, toekomende tijd
leiding zou geven bijzin, voorwaardelijk
leiding zouden geven bijzin, voorwaardelijk
leiding zoudt geven bijzin, voorwaardelijk
leiding zullen geven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
leiding zullen geven bijzin, toekomende tijd
leiding zult geven bijzin, toekomende tijd
leidinggaaft bijzin, verleden tijd
leidinggaf bijzin, verleden tijd
leidinggaven bijzin, verleden tijd
leidinggeef bijzin, tegenwoordige tijd
leidinggeeft bijzin, tegenwoordige tijd
leidinggegeven verleden tijd, deelwoord
leidinggegeven te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
leidinggegeven zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
leidinggevend onvoltooid, deelwoord
te hebben leidinggegeven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen leidinggeven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal leidinggegeven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal leidinggegeven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal leidinggegeven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal leidinggeven bijzin, toekomende tijd
zou leidinggegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou leidinggegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou leidinggegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou leidinggeven bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) leidinggeven leiding zou(dt) geven bijzin, voorwaardelijk
zouden leidinggegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden leidinggegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden leidinggegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden leidinggeven bijzin, voorwaardelijk
zoudt leidinggegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt leidinggeven bijzin, voorwaardelijk
zullen leidinggegeven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen leidinggegeven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen leidinggegeven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen leidinggeven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen leidinggeven bijzin, toekomende tijd
zult leidinggegeven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult leidinggeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult leidinggeven bijzin, toekomende tijd
zult/zal leidinggeven leiding zult/zal geven bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van leiding en geven

Woordfamilie van leidinggeven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gaf leiding verleden tijd leidinggeven
gaven leiding aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon leidinggeven
geef leiding gebiedende wijs leidinggeven
geeft leiding aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon leidinggeven
geve leiding woordvorm leidinggeven
geven leiding aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon leidinggeven
leidinggaf subordinate-clause, verleden tijd leidinggeven
leidinggaven subordinate-clause, verleden tijd leidinggeven
leidinggeef subordinate-clause, tegenwoordige tijd leidinggeven
leidinggeeft subordinate-clause, tegenwoordige tijd leidinggeven
leidinggegeven voltooid deelwoord leidinggeven
leidinggeve with-subordinate-clause leidinggeven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leidinggeven zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over leidinggeven

Wat betekent leidinggeven?
Leidinggeven is een werkwoord. Het woord betekent: leiding geven.
Hoe vervoeg je leidinggeven?
Je vervoegt leidinggeven als volgt: het voltooid deelwoord is leidinggegeven. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord leidinggeven is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. E 1
  3. I 1
  4. D 2
  5. I 1
  6. N 1
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. V 4
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

leidinggeven levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. E 1
  3. I 2
  4. D 2
  5. I 2
  6. N 1
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. V 4
  11. E 1
  12. N 1
  13. 24 zonder bonus
  14. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

leidinggeven in het kort

leidinggeven staat in dit woordenboek als werkwoord. Van leidinggeven zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort leidinggeven bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

leidinggeven: leiding geven
Deel leidinggeven — standaardnederlands.nl