lauwer
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- blad van de laurier, met name gebruikt in een krans als eerbetoon
- leerlooier
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lauweren | meervoud |
| lauwertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lauwertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van lauw
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lauweren
- gebiedende wijs van lauweren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lauweren
Vervoeging van lauwer
lauwerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘krans van laurieren’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van lauwer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lauwertje | verkleinwoord | lauwer |
| lauwertjes | verkleinwoord meervoud | lauwer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lauwer zijn vastgelegd.