latex
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /'la.tɛks/Betekenis
- melksap van de rubberboom , waaruit rubber wordt gewonnen
- grondstof van synthetisch bereide rubberachtige materialen
- muurverf op basis van latex
- van latex gemaakt
- melksap van de rubberboom
- natuurlijke rubber
- emulsie van natuurlijke of synthetische rubber in water, gebruikt als lijm of verf
- water, vocht, heldere vloeistof
- sap, melk
Hoe spreek je latex uit?
/ˈlatɛks/
Latex bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| a | maan |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- melksap van de rubberboom Hevea brasiliensis, waaruit rubber wordt gewonnen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| latexje | verkleinwoord, enkelvoud |
| latexjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van latexen
- gebiedende wijs van latexen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van latexen
Vervoeging van latex
latexhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘melksap der rubberbomen, rubberachtig materiaal’ voor het eerst aangetroffen in 1931
Woordfamilie van latex
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| latexje | verkleinwoord | latex |
| latexjes | verkleinwoord meervoud | latex |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van latex zijn vastgelegd.