landgoedeigenaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de eigenaar van een landgoed
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| landgoedeigenaars | meervoud |
| landgoedeigenaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| landgoedeigenaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| landgoedeigenaren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van landgoed en eigenaar
Woordfamilie van landgoedeigenaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| landgoedeigenaars | meervoud | landgoedeigenaar |
| landgoedeigenaartje | verkleinwoord | landgoedeigenaar |
| landgoedeigenaartjes | verkleinwoord meervoud | landgoedeigenaar |
| landgoedeigenaren | meervoud | landgoedeigenaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van landgoedeigenaar zijn vastgelegd.