Naar de inhoud

laagvliegen

op geringe hoogte vliegen met vliegtuigen

laagvliegen

werkwoord

Betekenis

  1. op geringe hoogte vliegen met vliegtuigen

Vervoeging van laagvliegen

laagvliegenhele werkwoord — vloog laagverleden tijd enkelvoud — vlogen laagverleden tijd meervoud — laaggevlogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vlieg laag vloog laag
jij vliegt laag vloog laag
hij, zij, het vliegt laag vloog laag
wij vliegen laag vlogen laag
jullie vliegen laag vlogen laag
zij vliegen laag vlogen laag
Alle 46 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
laag te vliegen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
laag te zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
laag zal vliegen bijzin, toekomende tijd
laag zou vliegen bijzin, voorwaardelijk
laag zouden vliegen bijzin, voorwaardelijk
laag zoudt vliegen bijzin, voorwaardelijk
laag zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
laag zullen vliegen bijzin, toekomende tijd
laag zult vliegen bijzin, toekomende tijd
laaggevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
laaggevlogen verleden tijd, deelwoord
laaggevlogen te zullen actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
laaggevlogen zullen actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
laagvlieg bijzin, tegenwoordige tijd
laagvliegend onvoltooid, deelwoord
laagvliegt bijzin, tegenwoordige tijd
laagvlogen bijzin, verleden tijd
laagvloog bijzin, verleden tijd
te laaggevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen laagvliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vlieg laag gebiedende wijs
vloog laag verleden tijd
zal laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal laagvliegen bijzin, toekomende tijd
zou laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou laagvliegen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) laagvliegen laag zou(dt) vliegen bijzin, voorwaardelijk
zouden laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden laagvliegen bijzin, voorwaardelijk
zoudt laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt laagvliegen bijzin, voorwaardelijk
zullen laagvliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen laagvliegen bijzin, toekomende tijd
zult laagvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult laagvliegen bijzin, toekomende tijd
zult/zal laagvliegen laag zult/zal vliegen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van laag en vliegen

Woordfamilie van laagvliegen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
laaggevlogen voltooid deelwoord laagvliegen
laagvlieg subordinate-clause, tegenwoordige tijd laagvliegen
laagvliege with-subordinate-clause laagvliegen
laagvliegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd laagvliegen
laagvlogen subordinate-clause, verleden tijd laagvliegen
laagvloog subordinate-clause, verleden tijd laagvliegen
vlieg laag gebiedende wijs laagvliegen
vliege laag woordvorm laagvliegen
vliegen laag aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon laagvliegen
vliegt laag aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon laagvliegen
vlogen laag aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon laagvliegen
vloog laag verleden tijd laagvliegen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van laagvliegen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over laagvliegen

Wat betekent laagvliegen?
Laagvliegen is een werkwoord. Het woord betekent: op geringe hoogte vliegen met vliegtuigen.
Hoe vervoeg je laagvliegen?
Je vervoegt laagvliegen als volgt: het voltooid deelwoord is laaggevlogen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord laagvliegen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. A 1
  3. A 1
  4. G 3
  5. V 4
  6. L 3
  7. I 1
  8. E 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

laagvliegen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. A 1
  3. A 1
  4. G 3
  5. V 4
  6. L 3
  7. I 2
  8. E 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 zonder bonus
  13. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

laagvliegen in het kort

laagvliegen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van laagvliegen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort laagvliegen bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

laagvliegen: op geringe hoogte vliegen met vliegtuigen
Deel laagvliegen — standaardnederlands.nl