krinkel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- kronkel, bocht
- virusziekte bij planten waarbij de bladeren omkrullen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| krinkels | meervoud |
| krinkeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| krinkeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krinkelen
- gebiedende wijs van krinkelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krinkelen
Vervoeging van krinkel
krinkelhele werkwoord
Woordfamilie van krinkel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| krinkels | meervoud | krinkel |
| krinkeltje | verkleinwoord | krinkel |
| krinkeltjes | verkleinwoord meervoud | krinkel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krinkel zijn vastgelegd.