koster
zelfstandig naamwoordBetekenis
- kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kosters | meervoud |
| kostertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kostertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘kerkbewaarder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200
Woordfamilie van koster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kosters | meervoud | koster |
| kostertje | verkleinwoord | koster |
| kostertjes | verkleinwoord meervoud | koster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koster zijn vastgelegd.