korset
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een verstevigd raamwerk dat strak om het lichaam gebonden wordt om de taille en/of de boezem te accentueren of soms ook om medische redenen gebruikt wordt om het lichaam steun te verlenen
zelfstandig naamwoord — neuter
- een verstevigd raamwerk dat vooral bij vrouwen strak om het lichaam heen gebonden wordt om de taille en/of de boezem te accentueren, soms ook om medische redenen gebruikt om het lichaam steun te verlenen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| korsetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| korsetjes | verkleinwoord, meervoud |
| korsetten | meervoud |
Herkomst
Van het Franse corset, in de betekenis van ‘rijglijf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1318
Woordfamilie van korset
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| korsetje | verkleinwoord | korset |
| korsetjes | verkleinwoord meervoud | korset |
| korsetten | meervoud | korset |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van korset zijn vastgelegd.