komma
zelfstandig naamwoord /ˈkɔma/Betekenis
- een leesteken dat een pauze aangeeft, weergegeven met symbool ,
- een klein stelselmatig verschil in toonhoogte veroorzaakt door een andere benadering van het spellingsprobleem
- symbool om bij breuken de eenheden van het gebroken deel te scheiden
- komen
- aankomen
- te voorschijn komen.
- hulpwerkwoord voor de toekomende tijd
Hoe spreek je komma uit?
/ˈkɔma/
Komma bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| komma's | meervoud |
| kommaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kommaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘leesteken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612
Woordfamilie van komma
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| komma's | meervoud | komma |
| kommaatje | verkleinwoord | komma |
| kommaatjes | verkleinwoord meervoud | komma |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van komma zijn vastgelegd.