kolf
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een instrument voor het afzuigen en opvangen van moedermelk
- het kolfspel dat nog in een beperkt aantal plaatsen in met name Noord-Holland gespeeld wordt
- een slaghout dat gebruikt wordt in het kolfspel
- een bolvormig stuk glaswerk met een afgeplatte bodem en een lange hals
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- deel van een vuurwapen dat je tegen je schouder houdt tijdens het schieten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kolfje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kolfjes | verkleinwoord, meervoud |
| kolven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kolven
- gebiedende wijs van kolven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kolven
Vervoeging van kolf
kolfhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘achterste deel van een hand- of vuistvuurwapen’ voor het eerst aangetroffen in 1240