koffie
zelfstandig naamwoord, bijwoord ˈkɔfiBetekenis
- een warme drank die bereid wordt door heet water over gemalen en gebrande koffiebonen te gieten
- gemalen gebrande koffiebonen waarmee de onder 1 genoemde drank wordt bereid
- heester waaraan koffiebonen groeien, koffieplant
Hoe spreek je koffie uit?
/ˈkɔfi/
Koffie bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| f | fiets |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een meestal warm genuttigde drank die bereid wordt door heet water over gemalen en gebrande koffiebonen te gieten
- gemalen gebrande koffiebonen waarmee de onder [1] genoemde drank wordt bereid
- benaming voor heesters uit het geslacht Coffea waaraan koffiebonen groeien, koffieplant
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koffies | meervoud |
| koffietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koffietjes | verkleinwoord, meervoud |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Herkomst
Via het Italiaanse caffè en het Turkse kahve van het Arabische قهوة. In de betekenis van ‘drank bereid uit koffiebonen’ voor het eerst aangetroffen in 1640
Woordfamilie van koffie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koffies | meervoud | koffie |
| koffietje | verkleinwoord | koffie |
| koffietjes | verkleinwoord meervoud | koffie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koffie zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- koffie-extract
- koffiearoma
- koffieautomaat
- koffiebar
- koffiebes
- koffieboer
- koffieboom
- koffieboon
- koffiebrander
- koffiebranderij
- koffiebroodje
- koffiebus
- koffieconcert
- koffiecreamer
- koffiecultuur
- koffiedik
- koffiedikkijker
- koffiedrinken
- koffiefilter
- koffiegeur
- koffiehandel
- koffiehoek
- koffiehuis
- koffiejuffrouw