koeler
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- een goed geisoleerde tas of bak waarin voorwerpen met ijs koel gehouden kunnen worden
- twee concentrische cilinders waarvan door de buitenste een koelvloeistof gevoerd wordt om de dampen in de binnenste te koelen en/of te doen condenseren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koelers | meervoud |
| koelertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koelertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van koel
Herkomst
Naamwoord van handeling van koelen met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van koeler
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koelertje | verkleinwoord | koeler |
| koelertjes | verkleinwoord meervoud | koeler |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koeler zijn vastgelegd.