koedoe
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een geslacht van schroefhoornrunderen uit Afrika
zelfstandig naamwoord — masculine
- Tragelaphus sp. een geslacht van schroefhoornrunderen uit Afrika
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koedoes | meervoud |
| koedoetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koedoetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘herkauwer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1762
Woordfamilie van koedoe
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koedoetje | verkleinwoord | koedoe |
| koedoetjes | verkleinwoord meervoud | koedoe |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koedoe zijn vastgelegd.