knuppel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈknʏpəlBetekenis
- korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
Hoe spreek je knuppel uit?
/ˈknʏpəl/
Knuppel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| n | nek |
| ʏ | put |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knuppels | meervoud |
| knuppeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knuppeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knuppelen
- gebiedende wijs van knuppelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knuppelen
Vervoeging van knuppel
knuppelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘dikke stok’ voor het eerst aangetroffen in 1654
Woordfamilie van knuppel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knuppels | meervoud | knuppel |
| knuppeltje | verkleinwoord | knuppel |
| knuppeltjes | verkleinwoord meervoud | knuppel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knuppel zijn vastgelegd.