knobbel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- halfbolvormige, meestal vrij harde, uitwas
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knobbels | meervoud |
| knobbeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knobbeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knobbelen
- gebiedende wijs van knobbelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knobbelen
Vervoeging van knobbel
knobbelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bult’ voor het eerst aangetroffen in 1546
Woordfamilie van knobbel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knobbels | meervoud | knobbel |
| knobbeltje | verkleinwoord | knobbel |
| knobbeltjes | verkleinwoord meervoud | knobbel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knobbel zijn vastgelegd.