knevel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een prop, doek of stuk plakband waarmee iemand het spreken belet wordt
- een grote brede snor waarvan het lijkt dat deze het spreken zou bemoeilijken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knevels | meervoud |
| kneveltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kneveltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knevelen
- gebiedende wijs van knevelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knevelen
Vervoeging van knevel
knevelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘stokje om het losdraaien te beletten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567
Woordfamilie van knevel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knevels | meervoud | knevel |
| kneveltje | verkleinwoord | knevel |
| kneveltjes | verkleinwoord meervoud | knevel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knevel zijn vastgelegd.