knarsetanden
werkwoordBetekenis
- de kaken op elkaar geklemd over elkaar bewegen, gewoonlijk uit ergernis of frustratie
Vervoeging van knarsetanden
knarsetandenhele werkwoord — knarsetanddeverleden tijd enkelvoud — knarsetanddenverleden tijd meervoud — geknarsetandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knarsetand | knarsetandde |
| jij | knarsetandt | knarsetandde |
| hij, zij, het | knarsetandt | knarsetandde |
| wij | knarsetanden | knarsetandden |
| jullie | knarsetanden | knarsetandden |
| zij | knarsetanden | knarsetandden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geknarsetand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geknarsetand | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geknarsetand | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geknarsetand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geknarsetand worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geknarsetand zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geknarsetand worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geknarsetand zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geknarsetand | verleden tijd, deelwoord |
| geknarsetand te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geknarsetand zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geknarsetand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geknarsetand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geknarsetand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geknarsetand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geknarsetand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geknarsetand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geknarsetand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geknarsetand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknarsetand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geknarsetand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknarsetand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geknarsetand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geknarsetand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknarsetand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknarsetand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| knarsetand | gebiedende wijs |
| knarsetandde | verleden tijd |
| knarsetande | aanvoegende wijs |
| knarsetandend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geknarsetand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te knarsetanden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen knarsetanden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geknarsetand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geknarsetand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geknarsetand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geknarsetand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geknarsetand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geknarsetand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geknarsetand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geknarsetand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geknarsetand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geknarsetand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geknarsetand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geknarsetand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geknarsetand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen knarsetanden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geknarsetand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult knarsetanden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘met de tanden knarsen’ voor het eerst aangetroffen in 1627
Woordfamilie van knarsetanden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geknarsetand | voltooid deelwoord | knarsetanden |
| knarsetand | gebiedende wijs | knarsetanden |
| knarsetandde | verleden tijd | knarsetanden |
| knarsetandden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | knarsetanden |
| knarsetande | aanvoegende wijs | knarsetanden |
| knarsetandt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | knarsetanden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knarsetanden zijn vastgelegd.