knar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- van een persoon dat deze oud en taai is
- botterik, domoor
- van een kluif dat er weinig vlees aan zit
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die oud en taai is person
- kluif waar weinig vlees aan zit
- bovenste deel van het menselijk lichaam boven de hals, waarin zich de hersenen en oren, ogen en neus bevinden informal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knarren | meervoud |
| knarretje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knarretjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
mogelijk klanknabootsing, verwant aan knor; in de betekenis van ‘oude kerel’ aangetroffen vanaf 1856
Woordfamilie van knar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knarren | meervoud | knar |
| knarretje | verkleinwoord | knar |
| knarretjes | verkleinwoord meervoud | knar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knar zijn vastgelegd.