klus
zelfstandig naamwoord, werkwoord /klɵs/Betekenis
- afgerond stuk werk, gewoonlijk met hand en met gereedschap
- draf; gang van paard, en andere viervoeters, sneller dan de stap maar langzamer dan de galop
Hoe spreek je klus uit?
/klɵs/
Klus bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɵ | put |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — masculine
- karwei, in het bijzonder met de hand en met behulp van gereedschap; bij uitbreiding ook andere soorten werkzaamheden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klusjes | verkleinwoord, meervoud |
| klussen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klussen
- gebiedende wijs van klussen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klussen
Vervoeging van klus
klushele werkwoord
Herkomst
terugvorming uit het verkleinwoord "klusje" dat ontstond uit "klutsje", het verkleinwoord van een oudere betekenis van kluts zn ; in de betekenis van ‘karwei’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1750
Woordfamilie van klus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klusje | verkleinwoord | klus |
| klusjes | verkleinwoord meervoud | klus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klus zijn vastgelegd.