kluppel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- kort dik stuk hout
- lomp onhandig persoon
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kluppels | meervoud |
| kluppeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kluppeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kluppelen
- gebiedende wijs van kluppelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kluppelen
Vervoeging van kluppel
kluppelhele werkwoord
Herkomst
afleiding van knuppel
Woordfamilie van kluppel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kluppels | meervoud | kluppel |
| kluppeltje | verkleinwoord | kluppel |
| kluppeltjes | verkleinwoord meervoud | kluppel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kluppel zijn vastgelegd.