kluister
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- keten bedoeld voor het boeien van de voeten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kluisters | meervoud |
| kluistertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kluistertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kluisteren
- gebiedende wijs van kluisteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kluisteren
Vervoeging van kluister
kluisterhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘boei’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van kluister
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kluisters | meervoud | kluister |
| kluistertje | verkleinwoord | kluister |
| kluistertjes | verkleinwoord meervoud | kluister |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kluister zijn vastgelegd.