klotsen
werkwoordBetekenis
- van een golvende vloeistof hoorbaar tegen of over een wand botsen
- van een golvende vloeistof hoorbaar in beweging zijn
- een deels vloeibare inhoud in hoorbare beweging brengen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- zich door een vloeistof (meestal water) heen bewegen unergative
Vervoeging van klotsen
klotsenhele werkwoord — klotsteverleden tijd enkelvoud — klotstenverleden tijd meervoud — geklotstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | klots | klotste |
| jij | klotst | klotste |
| hij, zij, het | klotst | klotste |
| wij | klotsen | klotsten |
| jullie | klotsen | klotsten |
| zij | klotsen | klotsten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geklotst | verleden tijd, deelwoord |
| geklotst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geklotst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geklotst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geklotst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geklotst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geklotst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geklotst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geklotst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geklotst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geklotst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geklotst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geklotst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geklotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geklotst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geklotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geklotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geklotst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klots | gebiedende wijs |
| klotse | aanvoegende wijs |
| klotsend | onvoltooid, deelwoord |
| klotste | verleden tijd |
| te hebben geklotst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te klotsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klotsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geklotst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geklotst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geklotst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geklotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geklotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geklotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geklotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geklotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geklotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geklotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geklotst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geklotst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geklotst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen klotsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geklotst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult klotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘natuurlijke geluid van vloeistoffen maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1667
Woordfamilie van klotsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geklotst | voltooid deelwoord | klotsen |
| geklotste | woordvorm | klotsen |
| klots | gebiedende wijs | klotsen |
| klotse | aanvoegende wijs | klotsen |
| klotst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | klotsen |
| klotste | verleden tijd | klotsen |
| klotsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | klotsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klotsen zijn vastgelegd.